The Long Dark Teatime of the Soul

Over paradigmaverschuivingen niet-weten en de tijd die nodig is om iets nieuws te laten ontstaan

In december 2025 luisterde ik naar een lezing van David Grand tijdens een internationale online bijeenkomst van Brainspotting Help (BSPHelp) een organisatie die humanitair Brainspotting-werk over de hele wereld ondersteunt.
De titel van zijn lezing was:

The Frame and Its Vicissitudes

Hoewel de lezing over Brainspotting ging bleef ik na afloop vooral met een bredere vraag achter.

Wat gebeurt er eigenlijk wanneer een vertrouwd denkkader begint te verschuiven?

Niet alleen binnen een therapeutische methode.
Niet alleen binnen de wetenschap.
Maar in mensen zelf.
Want grote veranderingen beginnen zelden met helderheid.
Veel vaker beginnen ze met verwarring.
Met het gevoel dat iets niet meer klopt terwijl nog onduidelijk is wat ervoor in de plaats komt.

Wanneer het oude niet meer past

Paradigmaverschuivingen zijn zelden spectaculaire aha-momenten.
Ze voltrekken zich meestal veel stiller.
Een vertrouwde manier van kijken begint langzaam te knellen. Vragen waarop jarenlang vanzelfsprekende antwoorden leken te bestaan blijken opeens minder eenvoudig. Oude verklaringen verliezen iets van hun vanzelfsprekendheid terwijl nieuwe inzichten nog nauwelijks woorden hebben gevonden.
Juist die tussenruimte is vaak ongemakkelijk.
Twijfel.
Vermoeidheid.
Lichamelijke onrust.
Somberte.
Het gevoel nergens meer helemaal bij te horen.
Douglas Adams gaf daar ooit een prachtige naam aan:

The Long Dark Teatime of the Soul.

Niet als diagnose.
Niet als mislukking.
Maar als de soms ongemakkelijke tijd waarin een oud wereldbeeld langzaam oplost terwijl een nieuw wereldbeeld zich nog moet vormen.

Historische echo's

Wie naar de geschiedenis van wetenschap filosofie en psychologie kijkt ziet dit patroon steeds opnieuw.

Charles Darwin verloor na het overlijden van zijn dochter niet alleen een geliefd kind maar ook zijn religieuze vanzelfsprekendheid. Zijn twijfels waren geen abstracte filosofie; ze ontstonden uit een diep persoonlijk verlies.

Kurt Lewin ontdekte dat menselijk gedrag niet los gezien kan worden van de context waarin het ontstaat. Zijn veldtheorie groeide niet in een rustige tijd maar te midden van oorlog migratie en maatschappelijke ontwrichting.

Maurice Merleau-Ponty bracht het lichaam terug als dragend uitgangspunt van menselijke ervaring. Daarmee begon niet alleen een nieuwe filosofie maar werd ook eeuwen van dualistisch denken ter discussie gesteld.

Gregory Bateson liet zien dat wat wij vaak als individuele pathologie beschouwen soms beter begrepen kan worden als een relationeel patroon. Daardoor paste hij nooit helemaal binnen bestaande disciplines.

Francisco Varela probeerde neurobiologie en directe ervaring met elkaar te verbinden. Hij beschreef hoe eenzaam het kan zijn om tussen verschillende wetenschappelijke werelden te werken.

Stephen Jay Gould herinnerde ons eraan dat ontwikkeling zelden geleidelijk verloopt. Evolutie kent ook sprongen onderbrekingen en onverwachte richtingen.

Wat deze mensen gemeen hebben is niet alleen hun originaliteit.
Ze maakten allemaal een periode door waarin oude zekerheden wegvielen voordat nieuwe samenhang zichtbaar werd.
Misschien begrijpt het lichaam zulke overgangen soms eerder dan het verstand.

En hoe zit dat met therapie?

Ook binnen verschillende therapeutische stromingen meen ik zulke bewegingen te herkennen.
Meer aandacht voor relatie.
Voor regulatie.
Voor context.
Voor belichaamde aanwezigheid.
En iets minder nadruk op techniek als doel op zichzelf.
Misschien was dat wel wat mij in de lezing van David Grand het meest raakte.
Niet een nieuwe techniek.
Maar het vermoeden dat ook ons vakgebied zich langzaam ontwikkelt.
Niet via een revolutie.
Eerder zoals een landschap verandert.
Geleidelijk.
Soms nauwelijks zichtbaar.
Tot je op een dag merkt dat het uitzicht anders is geworden.

De prijs van verandering

Wanneer nieuwe ideeën ontstaan vieren we vaak de inspiratie.
Veel minder spreken we over de prijs.
Over de verwarring.
De vertraging.
De perioden waarin niemand precies weet wat het nieuwe eigenlijk betekent.
Juist daar kan romantisering gevaarlijk worden.
Wanneer we alleen de doorbraak vieren vergeten we gemakkelijk de lange periode waarin mensen leren leven met niet-weten.
Misschien ontstaat juist dáár de werkelijke integratie.

Wat vraagt dat van ons?

Maar eerder:
• vertragen;
• aandacht voor het lichaam;
• historisch besef;
• nieuwsgierigheid;
• en de bereidheid om een tijdlang niet precies te weten.
Sommige inzichten vragen niet direct om actie.
Ze vragen eerst om bedding.
Zoals een zaadje niet geholpen wordt door eraan te trekken maar door omstandigheden waarin het kan ontkiemen.
Misschien geldt dat niet alleen voor mensen.
Misschien geldt het ook voor ideeën.

Misschien herkennen we paradigmaverschuivingen daarom pas echt wanneer we erop terugkijken.
Terwijl we er middenin zitten voelen ze zelden groots of heroïsch.
Ze voelen eerder als zoeken.
Twijfelen.
Vertragen.
En soms als wat Douglas Adams zo mooi noemde:

The Long Dark Teatime of the Soul.

Misschien hoort ook dat eenvoudigweg bij menselijke ontwikkeling.